Ook voor het nieuwe jaar heeft de wetgever goede voornemens in de vorm van nieuwe wetten. Voor het strafrecht zal ik er hierna drie benoemen. Te weten, het verbod van contante betalingen van €3000,- of meer, de strafbaarstelling van het hebben of aanbrengen van verborgen ruimtes in vervoermiddelen en de verruiming van de mogelijkheden om wederrechtelijk verkregen voordeel te incasseren.
Verbod van contante betalingen van € 3000,- of meer.
Om het witwassen van door misdrijf verkregen geld te bemoeilijken, is het vanaf 1 januari 2026 voor bepaalde (rechts)personen verboden om contante betalingen van boven de €3000,- of meer te accepteren. Het gaat dan met name om (rechts)personen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van goederen of kunstvoorwerpen. Particulieren, die zich dus niet bedrijfsmatig bezighouden met de koop/verkoop van deze goederen, zijn dus uitgezonderd van de cashlimiet. Deze nieuwe regel vloeit voort uit de laatste Europese Anti Money Laundering (AML-) Richtlijn. In Frankrijk geldt er zelfs een cashverbod van € 1000,-. Niet naleving van deze nieuwe bepaling in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) kan leiden tot bestuurlijke boetes met een basisbedrag van € 10.000, – welke kan worden verhoogd of verlaagd op basis van draagkracht, voordeel of recidive. In ernstige gevallen van niet naleving kan het Bureau Toezicht Wwft aangifte doen bij het openbaar ministerie, die de zaak voor de rechter kan brengen.
Toch is opvallend dat banken en ministerie dit jaar ook hebben opgeroepen om meer cash geld in huis te halen voor een noodsituatie. Dit vanwege de toegenomen geopolitieke spanningen en cyberdreigingen. Dit zou kunnen leiden tot meer pinbetalingen. Al adviseert de overheid dat €70,- per volwassene en €30, per kind voldoende zouden zijn om de eerste drie dagen door te komen.
Strafbaarstelling van verborgen ruimtes in vervoermiddelen.
In art. 189a Wetboek van Strafrecht zal het beschikken over een voertuig met een verborgen ruimte strafbaar worden gesteld. Ditzelfde geldt voor het uitrusten van een voertuig met een verborgen ruimte. Die ruimte moet dan geschikt zijn om stiekem voorwerpen te vervoeren. De wet is bedoeld om de voorbereiding en het plegen van zware misdrijven met een ondermijnend effect af te schrikken. Naar verwachting zal in de praktijk nog discussie ontstaan of de aangetroffen verborgen ruimtes bedoeld zijn om op een veilige manier waardevolle spullen op te bergen of om voor andere doeleinden te worden gebruikt. Dit zal van geval tot geval worden beoordeeld.
Verruiming mogelijkheid tot hoofdelijke oplegging ontnemingsmaatregel
Als de rechter aan twee of meer (mede)veroordeelden een ontnemingsvordering oplegt kunnen veroordeelden onder huidig recht niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betalingsverplichting van ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De gedachte hierachter is dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel steeds moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene zelf in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft behaald. In de praktijk leidt tot vaak tot een betalingsverplichting naar verhouding in het aandeel van het voordeel. Als één veroordeelde niet bij machte is om zijn of haar aandeel te betalen, leidt dit niet tot een betalingsverplichting voor de medeverdachte.
Mede door jurisprudentie van de Hoge Raad voelde de wetgever zich gesterkt hierop een uitzondering te maken als er sprake is van een economische eenheid tussen de veroordeelden. Als de economische eenheid samen heeft geprofiteerd kunnen de veroordeelden hoofdelijk, dus afzonderlijk, worden veroordeeld tot terugbetaling van het gehele voordeel van de economische eenheid. Als een veroordeelde aannemelijk maakt dat hij slechts deels aansprakelijk is voor de gezamenlijke betalingsverplichting kan hiervan worden afgeweken. In de praktijk zal dit ingewikkeld worden, omdat zo’n verklaring zich vaak slecht verhoudt met een verzoek tot een integrale vrijspraak. Er zal in de rechtszaal naar verwachting meer discussie worden gevoerd over de vraag of er sprake is van een economische eenheid.
Zo probeert de wetgever weer in de pas te lopen met de praktijk. De verwachte discussies in de rechtszaal, zullen op termijn ongetwijfeld weer leiden tot nieuwe wetgeving. Zo blijft het kat en muis spel voortduren.
Mr. D.M. Penn