Op 19 maart jl. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg in de zaak Comdribus (C-371/24) opnieuw duidelijk gemaakt dat de inzet van biometrische gegevens in strafrechtelijke onderzoeken niet zonder meer is toegestaan. Vingerafdrukken en foto’s lijken misschien standaardinstrumenten voor opsporingsdiensten, maar juridisch gezien zijn er criteria waaraan voldaan dient te zijn. Ook in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten mogen fundamentele rechten, bijvoorbeeld op het gebied van privacy niet uit het oog worden verloren.
Strikte noodzakelijkheid: een strenge toets
Centraal staat artikel 10 van Richtlijn 2016/680, dat ziet op de verwerking van gevoelige persoonsgegevens, waaronder biometrische gegevens. Het Hof benadrukt dat verwerking alleen is toegestaan als deze strikt noodzakelijk is. Dat is een zwaardere eis dan de “gewone” noodzakelijkheidstoets.
Wat betekent dat concreet? Autoriteiten mogen niet volstaan met algemene aannames/veronderstellingen of standaardprocedures. Het Hof verwerpt expliciet nationale regelingen die leiden tot een systematische verzameling van biometrische gegevens van alle verdachten. In plaats daarvan moet per individueel geval worden beoordeeld:
- welk specifiek doel wordt nagestreefd;
- of de biometrische gegevens daadwerkelijk nodig zijn voor dat doel;
- en of dat doel niet kan worden bereikt met minder ingrijpende middelen.
Deze benadering sluit aan bij het beginsel van minimale gegevensverwerking en het bredere proportionaliteitsbeginsel. Biometrie is geen routine-instrument, maar een ultimum remedium dat alleen in het uiterste geval behoort te worden ingezet.
Het doel van de gegevensverzameling mag niet vaag zijn
Een belangrijk nuancepunt in het arrest is het onderscheid tussen algemene en specifieke doeleinden. Het Hof maakt duidelijk dat doelen niet te abstract mogen worden geformuleerd, zoals “opsporing van strafbare feiten” in algemene zin.
Er moet sprake zijn van een concreet en afgebakend doel, bijvoorbeeld identificatie in een specifiek onderzoek of koppeling aan bepaalde sporen. Alleen dan kan worden beoordeeld of de inzet van biometrische gegevens gerechtvaardigd is. Dit dwingt wetgevers en opsporingsinstanties om hun bevoegdheden preciezer te formuleren en toe te passen.
Motivering van de beslissing tot het verzamelen van de gegevens
Een tweede pijler van het arrest is de motiveringsplicht. Het Hof stelt dat de bevoegde autoriteit in elk individueel geval moet uitleggen waarom het verzamelen van biometrische gegevens strikt noodzakelijk is.
Dit is cruciaal voor de rechtsbescherming van de betrokkene. Zonder motivering:
- kan de verdachte niet effectief opkomen tegen de maatregel;
- en kan de rechter geen zinvolle toetsing verrichten.
De motivering hoeft niet uitgebreid te zijn, maar moet wel voldoende concreet en begrijpelijk zijn. Daarmee wordt voorkomen dat gegevensverwerking een “black box” wordt waartegen geen effectieve controle mogelijk is.
Betekenis voor de (Nederlandse) praktijk
Voor de praktijk in Nederland en andere lidstaten heeft dit arrest gevolgen. In Nederland is het gebruikelijk dat van een verdachte in het kader van een politieverhoor al vingerafdrukken worden afgenomen. Ook om te bezien of iemand voorkomt in de strafrechtketendatabank (SKDB) of om later te kunnen vaststellen dat de juiste persoon een verklaring heeft afgelegd. Voor het Hof van Justitie is dit dus kennelijk niet voldoende. In de uitspraak heeft het Hof bevestigd dat:
- routinematige verzameling van biometrische gegevens niet is toegestaan;
- een individuele, concrete beoordeling altijd vereist is;
- en dat transparantie via motivering essentieel is.
Per geval dienen de opsporingsdiensten dus te beoordelen of het verzamelen van biometrische gegevens zoals vingerafdrukken strikt noodzakelijk is. Als deze toets niet heeft plaatsgevonden kan dit kansen bieden voor de verdediging als de verdachte hierdoor in zijn belangen is geschaad. Uit de uitspraak blijkt opnieuw dat ook de eerbiediging van individuele belangen in het algemeen belang kan zijn. In dit geval dat er dient te worden nagedacht door de politie voordat lichaamseigen kenmerken van een burger worden opgeslagen.
Mr. D.M. Penn