In veel strafzaken kan een deskundigenrapport het verschil maken tussen een vrijspraak en een veroordeling. Iemand kan als deskundige worden aangemerkt als hij of zij specifieke of bijzondere kennis op een bepaald terrein heeft én hij door een officier van justitie of rechter is benoemd met een opdracht tot het geven van informatie of het doen van onderzoek. Op grond van de Wet deskundige in strafzaken dient de officier van justitie de verdediging in kennis te stellen van een aan een deskundige verleende opdracht. Op dat moment kan de verdachte verzoeken indienen tot het doen van aanvullend onderzoek of het geven van aanwijzingen over het uit te voeren onderzoek.
Tegenonderzoek
Als de uitslag bekend is gemaakt, heeft de verdediging twee weken om onder opgaaf van redenen tegenonderzoek te verzoeken. Ook dient de verdediging aan te geven welke -geregistreerde- deskundige het onderzoek, dat gelijkwaardig is aan het eerste onderzoek, zou moeten uitvoeren. Als het verzoek wordt toegewezen krijgt de deskundige toegang tot het onderzoeksmateriaal en de desbetreffende gegevens uit het eerste onderzoek. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om DNA, toxicologie of een financiële analyse.
De waarborgen van art. 150a tot en met 150c Sv gelden niet bij specialistisch politieonderzoek dat in een proces-verbaal is vastgelegd. Maar als het bewijs in overwegende mate steunt op dit onderzoek, zal een spoedig, redelijk en goed gemotiveerd verzoek tot tegenonderzoek van de verdediging niet snel worden afgewezen. Een alerte verdediging is van groot belang.
Als de officier van justitie tegenonderzoek weigert
De officier van justitie zou een verzoek van de verdediging alleen mogen afwijzen als hij het niet in het belang van de verdediging acht. Als de verdediging vraagt om een deskundige die niet is ingeschreven in het Nederlands Register van Gerechtelijk Deskundigen (NRGD), dan dient dit verzoek te worden gericht aan de rechter-commissaris.
Als de officier van justitie weigert om een bepaald onderzoek uit te voeren, dient hij hiervan de verdediging gemotiveerd in kennis te stellen. Vanaf dat moment heeft de verdediging twee weken om de rechter-commissaris te vragen alsnog een deskundige te benoemen of om het onderzoek uit te breiden. Het eerdere verzoek aan de officier van justitie kan dan worden herhaald.
Toegang tot het onderliggende onderzoeksmateriaal
Op grond van de wet heeft de deskundige die het tegenonderzoek zal verrichten recht op toegang tot het onderliggende onderzoeksmateriaal. Toegang betekent niet dat hij het materiaal mag meenemen. Ook kan het voorkomen dat het materiaal kwijt is of niet meer beschikbaar is. Als doelbewuste vernietiging door of namens het Openbaar Ministerie kan worden uitgesloten, betekent dit niet dat het eerste onderzoeksrapport niet meer bruikbaar is. Dat hangt per zaak af. De verdediging doet er wel goed aan om in een vroeg stadium om veiligstelling van het materiaal te vragen. Voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering is voorgesteld dat de tegendeskundige alleen nog toegang krijgt tot het onderzoeksmateriaal en niet tot het eerste rapport, maar dat is nog geen geldend recht.
Eigen onderzoek laten verrichten
De verdediging kan in eigen beheer onderzoek laten verrichten. Dit heeft voor- én nadelen. Het voordeel is dat een bepaald onderzoek alleen in de procedure hoeft te worden ingebracht als het daadwerkelijk zijn zaak sterker maakt. Het nadeel is dat de kosten voor eigen rekening zijn en het niet op voorhand zeker is welke waarde de rechtbank aan dit deskundigenrapport zal geven. Daarbij is ook van belang dat een deskundige die niet is benoemd maar door de verdediging is ingeschakeld niet zomaar een recht heeft op toegang tot het onderzoeksmateriaal. Als dat laatste essentieel is, dient men zich af te vragen of het laten uitvoeren van onderzoek in eigen beheer nog wel zinvol is. Als het rapport dat in eigen beheer is uitgevoerd uiteindelijk wel aantoonbaar bijdraagt aan de besluitvorming van de rechtbank, kunnen op verzoek de kosten van het deskundigenonderzoek aan de verdachte worden vergoed.
Verzoeken op zitting
Hoe later verzoeken worden gedaan tot het verrichten van onderzoek, hoe lastiger het wordt om deze verzoeken toegewezen te krijgen. De zaak zal dan moeten worden aangehouden en het zal meer tijd en moeite kosten om bepaalde aanvullende of tegenonderzoeken uit te voeren. Verzoeken worden dan nog alleen uitgevoerd, als de rechtbank dit noodzakelijk acht voor de voor het vonnis te beantwoorden hoofdvragen. Die lat ligt hoog. De kans is groot dat een aanwezig rapport dan alleen nog maar kan worden bestreden en dat de vraagstelling niet meer kan worden gestuurd.
Een adequate verdediging begint dus in een vroeg stadium. Niet pas op zitting.
Mr. D.M. Penn
Bronnen: art. 150a, 150b en 315 Sv (wetten.overheid.nl, versie 1 juli 2026); Aanwijzing OM over technisch opsporingsonderzoek en deskundigenonderzoek; R.A. Hoving, ‘De deskundige’, Handboek Strafzaken, hoofdstuk 25 (actueel t/m 27 december 2023). T&C Strafvordering, commentaar op art. 150, 150c en 343 Sv (M.J. Dubelaar, Wolters Kluwer, actueel t/m 5 augustus 2026). Kamerstukken II 2006/07, 31116, nr. 3 (memorie van toelichting Wet deskundige in strafzaken); reader deskundigenbewijs in het strafproces (Recht in de Regio, 2021).