De afgelopen jaren zijn veel strafzaken met behulp van procesafspraken versneld afgedaan. De Hoge Raad heeft deze werkwijze – waarbij een rechter of hof – het afdoeningsvoorstel oftewel de procesafspraak onderwerpt aan een redelijkheidstoets, toelaatbaar geacht. De rechter gaat na ook of de afspraken vrijwillig zijn gemaakt en ze doen geen afbreuk aan diens zelfstandige positie.
Procesafspraken kunnen zowel voor het openbaar ministerie als een verdachte aantrekkelijk zijn. De straf die is geaccepteerd is lager dan de straf die ter zitting geëist zou worden en er is eerder duidelijkheid. Niet alleen voor de verdachte is dat een voordeel, ook voor de omgeving die in spanning meeleeft met de verdachte.
Wat vaak onderbelicht blijft is dat het Openbaar Ministerie gegevens uit de strafzaak kan delen met de belastingdienst. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens biedt deze mogelijkheid als de gegevens worden gebruikt voor de belastingheffing. Hoewel de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) medewerkers van de belastingdienst verbiedt om deze gegevens verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van een rijksbelasting, kan dit tot jaren na de procesafspraak tot vervelende verrassingen leiden.
Tot vijf jaar na het belastingjaar kan de inspecteur met een navorderingsaanslag op de proppen komen als uit nieuwe informatie is gebleken dat het vastgestelde verzamelinkomen over het jaar 2020 te laag is vastgesteld. In het geval van buitenlandse vermogensbestanddelen geldt een termijn van twaalf jaar. Als de belastingdienst na een zelfstandige fiscale beoordeling ook nog eens van mening is dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan, kan de navorderingsaanslag gepaard gaan met een vergrijpboete.
Voor personen die met de procesafspraken dachten het boek te kunnen sluiten, kan dit zeer rauw op het dak vallen. Zeker als de belastingdienst c.q. de Ontvanger ervoor kiest om versneld in te vorderen. Als wordt gevreesd dat vermogensbestanddelen worden vervreemd, kunnen de dwangbevelen van de deurwaarder zonder aanmaning al op de mat liggen, waarbij kan worden gedreigd met de executoriale verkoop van vermogensbestanddelen als niet binnen twee dagen wordt betaald.
In lang niet alle gevallen waarbij procesafspraken zijn gemaakt zal dit gebeuren, maar zeker personen die verdacht worden van feiten met een financieel motief, zoals de handel in verdovende middelen, dienen hierop alert te zijn. De belastingdienst is immers niet gebonden aan een procesafspraak die een verdachte met het openbaar ministerie heeft gemaakt. En een navorderingsaanslag is juridisch niet aan te merken als een ‘dubbele bestraffing’. In het geval van een vergrijpboete kan er in bepaalde gevallen wel sprake zijn van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit, waardoor de boete alleen al daarom geen stand kan houden.
Als er in het onverhoopte geval toch een vragenbrief van de belastingdienst of een navorderingsaanslag op de mat ligt, is het van belang om snel te handelen. In de regel gelden strikte termijnen. Als deze zijn verlopen kan het heel moeilijk worden om de aanslagen om te buigen. Als tijdig bezwaar wordt gemaakt, kan er inhoudelijk worden betoogd dat de gegevens waar de belastingdienst zich op beroept geen basis vormen voor een herberekening.
Bij het aangaan van de procesafspraken dienen de fiscale gevolgen vooraf in de overwegingen te worden betrokken. Wat strafrechtelijk een eindpunt lijkt, kan fiscaal nog een begin zijn. Mocht de belastingdienst zich aandienen, zorg in ieder geval voor dat er snel wordt gehandeld.
Mr. D.M. Penn